Het leven gaat toch door?

Mevrouw Mulder is 71 jaar. Anderhalf jaar geleden heeft ze haar man verloren, nadat ze hem maanden lang heeft verpleegd. Ze was toen – ondanks het verdriet – ook opgelucht dat hij uit zijn lijden was verlost. Aanvankelijk leek ze het verlies goed te verwerken. Haar drie dochters vonden het heel flink van haar dat ze zo snel haar werkzaamheden en hobby’s weer oppakte. Ze ging weer zwemmen, ze ging op bezoek bij anderen en ze pakte haar welfare-werk weer op. Alleen – dat vonden ze wel wat vreemd -over vader wilde ze niet praten. Als ze ernaar vroegen of als vader ter sprake kwam, dan moest moeder ineens hoognodig de aardappels gaan schillen.

Een paar maanden geleden kreeg mevrouw Mulder allerlei vage lichamelijke klachten. Ze voelde zich ontzettend naar. Een zwemvriendin had het in de gaten en drong er bij haar op aan om eens naar de huisarts te gaan. Toen deze vroeg hoe het met haar ging, vertelde ze spontaan dat ze de laatste tijd veel over haar man droomde: “Ik word dan heel verward wakker. En dan lijkt het of mijn man er nog is. Als ik me dan langzaamaan realiseer dat dat niet klopt, voel ik me zó alleen! Maar ik kan niet huilen.” Mevrouw Mulder vond dit allemaal erg vreemd van zichzelf: “Het is toch al meer dan een jaar geleden? Het moet nu toch wel wat gesleten zijn?!” De huisarts constateerde, dat mevrouw Mulder eigenlijk nog helemaal niet was toegekomen aan het verwerken van het verlies van haar man. Hij verwees haar naar de RIAGG Drenthe waar ze in een therapie-groep kwam. Mevrouw Mulder is een goed voorbeeld van hoe mensen kunnen reageren op het verlies van een dierbaar persoon. Ogenschijnlijk lijkt er niet zoveel aan de hand. Maar mevrouw Mulder zou ernstig depressief zijn geworden als ze geen hulp had gekregen bij haar rouwproces.

Rouwen is een belangrijk middel om verlies te verwerken. Maar tegenwoordig heeft rouwen niet echt een plek meer in ons leven. Er rust bijna een taboe op. Allerlei rouwrituelen zijn verdwenen: bijvoorbeeld de zwarte kleding, het dragen van een rouwband of het thuis opbaren van de overledene. De begrafenis of crematie is in handen van een professionele organisatie. En na de eerste paar weken vragen de meeste mensen al niet meer hoe het met je gaat. Als je niet zìchtbaar lijdt onder het verlies, vindt de omgeving dat eigenlijk wel best. Men gaat weer over tot de orde van de dag.

Rouwen verloopt in fases en door al die fases moet je heen. Dat gold ook voor mevrouw Mulder. Na de eerste schok volgde de verbijstering, de ontkenning en de valse hoop. Toen mevrouw Mulder bij de RIAGG terecht kwam, zat ze nog volop in die fase; ze droomde ’s nachts dat haar man gewoon nog leefde. Vervolgens kwamen de gevoelens van wanhoop, van schuld en van machteloosheid: “Heb ik wel genoeg voor hem gedaan? Had ik zijn dood niet kunnen voorkomen?” Daarna kwamen de woede en de agressie: “Waarom heb je me zo in de steek gelaten?” Dit is vaak de moeilijkste fase. Ook voor mevrouw Mulder: “Hoe kan ik nou kwaad zijn op iemand die dood is? Daar kan hij toch niets aan doen?!!” Toch is deze woede van groot belang. Door die woede te voelen, realiseerde mevrouw Mulder zich pas echt dat zij nog leeft en dat ze alléén verder gaat. Op die manier ontstond de ruimte voor de volgende fase van verdriet, gemis en zelfmedelijden. Vrijwel altijd brengt dit een diep gevoel van eenzaamheid met zich mee: “Nu ik mijn man heb verloren, is er eigenlijk een stuk van mezelf mee-gestorven.”

Zo’n rouwproces heeft z’n tijd nodig. Het wegdrukken van het verdriet helpt niet. Wat mevrouw Mulder vooral nodig had, waren mensen in haar omgeving die dit begrepen en die haar steunden. Na verloop van tijd kon haar verdriet een plaats krijgen in haar leven. Niet langer de grootste plaats. Langzamerhand kwam er ook weer ruimte voor andere gevoelens die ook bij haar leven hoorden. Als een van haar dochters tegenwoordig over vader praat, dan staat mevrouw Mulder niet meer onmiddellijk op omdat ze hoognodig de aardappels moet gaan schillen. Maar pijnlijk blijft het.