Depressief na de pensionering

Meneer en mevrouw Volkers hebben jaren in het westen gewoond. Maar na de pensionering van meneer voelen ze – als geboren en getogen Drenten – de behoefte terug te keren. Bovendien woont hun jongste dochter met haar gezin in Assen. Wanneer ze kunnen verhuizen van een flat in Den Haag naar een mooie bungalow in Anloo, lijkt hun droom werkelijkheid te worden. Terug naar hun geboortegrond.

In het tweede jaar dat ze in Anloo wonen, krijgt meneer Volkers last van slapeloosheid. ’s Morgens kan hij soms erg tegen de dag opzien. Zijn vrouw dringt erop aan, dat hij naar de huisarts gaat. Die geeft hem slaappillen mee, maar de slaapproblemen blijven. Hij heeft steeds vaker geen trek in eten. Zijn vrouw is bezorgd; zo kent hem niet. Soms zit hij in een stoel urenlang apathisch voor zich uit te staren. Als een lichamelijk onderzoek geen oorzaken oplevert, heeft de huisarts een lang gesprek met Volkers. Hij is somber en heeft het gevoel dat niemand hem kan helpen: “Misschien is het maar beter voor mijn vrouw en kinderen, dat ik er niet meer zou zijn. Wat hebben ze nou aan mij?” De huisarts wil hem verwijzen naar de RIAGG. Voor meneer Volkers zelf hoeft het allemaal niet zo nodig, maar hij stemt toe omdat zijn vrouw zo aandringt.

Op een winderige herfstochtend kom ik voor het eerst op huisbezoek bij het echtpaar Volkers. Meneer Volkers heeft zijn hele leven hard gewerkt. Nu voelt hij zich nutteloos; hij weet niet wat hij met zijn tijd aan moet. In het huishouden heeft-ie geen taak: “Dat is toch het domein van mijn vrouw?” Hobby’s heeft hij niet – nooit tijd voor gehad. Met de kinderen hebben ze een goed contact, maar die hebben ook hun eigen leven. En hun contacten in het westen zijn ze door de verhuizing kwijtgeraakt. Ze hadden zich er zoveel van voorgesteld om weer in Anloo te wonen. Allebei geven ze aan dat het hen zwaar tegen is gevallen. Het valt me op dat ze elkaar daarbij vebaasd aankijken. Dat wisten ze niet van elkaar. Er is in korte tijd veel veranderd in hun leven. Meneer Volkers de hele dag thuis; de verhuizing van het drukke Den Haag naar het landelijke Anloo, weinig contacten in de omgeving. Ze hebben er eigenlijk nooit echt met elkaar over gepraat. Ze hielden zich ‘groot’ tegenover elkaar omdat ze dachten dat het wel zou wennen. Maar het wende niet zo snel. Dat zien ze nu allebei duidelijk.

Na een onderzoek concludeert een arts van de RIAGG Drenthe dat meneer Volkers lijdt aan een ‘vitale depressie’. Hij heeft niet alleen last van langdurige somberheid, ook lichaamsfuncties als eten en slapen zijn ernstig verstoord. Om hem te helpen uit zijn geestelijke en lichamelijke put te komen, krijgt hij medicijnen, anti-depressiva genoemd. De depressie van meneer Volkers is niet in een paar weken ontstaan; daarom duurt het ook lang voor herstel intreedt. Maar na een maand beginnen mevrouw Volkers en haar kinderen te merken, dat er kleine positieve veranderingen zijn. In de maanden die volgen heb ik een lange reeks gesprekken met meneer en mevrouw Volkers. Daarin staat de verwerking van alle ingrijpende gebeurtenissen van de laatste jaren centraal. Tegelijkertijd gaan ze samen op zoek naar een nieuw evenwicht en een nieuwe inhoud van hun leven.

Een jaar later is meneer Volkers stap voor stap uit zijn depressie omhooggeklommen. Samen hebben ze de huishoudelijke taken wat verdeeld en ze zijn lid geworden van een kaartvereniging in Anloo. Meneer doet vrijwilligerswerk bij de voetbalkantine. En ze fietsen vaak door hun mooie Drenthe. Het heeft wel even geduurd, maar nu kunnen ze daar toch weer samen van genieten.